Categorie maatschappij

11/01/10

Permalink 14:20:02, van Renaat VAN POELVOORDE E-Mail , 742 woorden, 345 bezichtigingen   Dutch (BE)
Categorie: maatschappij

Blind en doof, maar welvarend.

Sinds het begin van deze eeuw heeft het men het steeds meer over de "vergrijzing" van de bevolking en de daardoor te voorziene uit de hand lopende en zogenaamd onbetaalbare ziekte- en pensioenskosten. Uit Allerhande studies blijkt dat de steeds langer levende babyboomers van na de tweede wereldoorlog, vanaf 2015 een steeds grotere hap van de algemene middelen, opgehoest door een steeds kleiner wordende groep actief werkenden, gaan opeisen.

Door het oprichten van een 'zilverfonds', waar tot heden nog geen daadwerkelijke eurocent is in gestort, de creatie van een 'generatiepact', dat er zou voor zorgen dat minder mensen vroegtijdig op brugpensioen gaan, maar dat vrijwel effectloos blijft, en allerlei subsidieringen om oudere werknemers aan het werk te houden of in dienst te nemen, maar die de gemeenschap bijna evenveel kosten, als zij opbrengen, wekken de beleidmakers de indruk dat men er zich niet alleen van bewust is, maar er ook wat aan doet.

Niet dus. Politici weten dat de bevolking (nog) niet bereid is om effectieve, inspanning vragende maatregelen te aanvaarden. Ons economisch- en kapitalistisch samenlevingsmodel is namelijk tegen haar eigen grenzen aangebotst, of beter gezegd, door onze ongebreidelde hebzucht en onophoudelijk streven naar steeds meer 'welvaart', hebben wij die grenzen ruim overschreden.

De verwachting dat het 'terugkeren' naar minder buitenissige tijden, en het creëren van een evenwichtige en toch sociaal aanvaardbare kosten- batenmaatschappij, voor de beter- en middelmatig gegoeden, niet alleen een stagnatie, maar zelfs een achteruitgang van hun levenstandaard zal inhouden, maakt dat de 'gekozenen des volk' niet happig zijn hun kiezers te vertellen waar het op staat. In onze democratie wordt alleen het korte termijnbeleid beoordeeld, terwijl het langetermijnbeleid, zeker als dat op korte termijn alleen inspanningen vergt, meedogenloos afgestraft.

Zoals met de problematiek en zijn gevolgen, van de opwarming van de aarde, steken wij ook i.v.m. de gevolgen van het ongebreideld kapitalisme en het onvoorwaardelijke geloof in de 'vrije markt', onze kop in het zand. In onze zogenaamde strijd tegen de milieuverloedering, armoede, ellende en honger, en onze zorg om de toekomst voor onze kinderen en kleinkinderen, lopen wij steevast te pletter tegen de muur van ons huidig, zowel groeps- als eigenbelang.
Tegen beter weten in, blijven wij geloven dat wij in staat zijn om de co²-, fijn stof, en andere schadelijke uitstoot tot een biologisch aanvaardbaar peil terug te dringen, zonder daarvoor moeten in te boeten op onze steeds stijgende energie- productie- verbuiks- en winstbehoefte. Ik kan moeilijk aannemen dat men nog niet heeft berekend hoeveel windmolenparken, tienduizenden km² zonnepanelen, en landbouwpercelen voor biogasproductie, daar voor nodig zijn. Dat die cijfers nog nergens naar boven zijn gekomen, geeft te denken.

In tegenstelling tot de milieuproblematiek, waar gezien de ontoereikende wetenschap over de natuurlijke evolutieprocessen, noch over oorzaak noch over gevolg een algemene consensus bestaat, Zijn de gevolgen van de vergrijzing min of meer exact te bereken. In tegenstelling van datgene, wat om welke reden ook, steeds wordt beweerd, gaat het er hem niet zozeer over of de pensioenen, ziektekosten e.d. binnen twintig jaar nog al dan niet betaalbaar zullen zijn, dan wel, of de actieve bevolking, die het hoogstwaarschijnlijk minder goed dan wij zullen hebben, de hen voorgeschotelde, steeds hoger oplopende factuur zullen WILLEN betalen.

Met de tijd zullen hervormingen van ons pensioenstelsel onvermijdelijk zijn, al zullen zij waarschijnlijk te laat komen, met een verminderd effect als gevolg. Men kan zich afvragen of in de stilaan aanbrekende tijden van krimpende gemeenschappelijke middelen, het nog verantwoord is om sociale uitkeringen aan iedereen uit te delen, onafhankelijk van hun kapitaalsbezit, -opbrengs- en/of -inkomen. Men kan zich afvragen of het aanvaardbaar is om aan mensen die tijdens hun ganse loopbaan, wegens hun aanzienlijk inkomen, roerend en onroerend bezit hebben kunnen opbouwen, en daardoor alleen reeds, een redelijk inkomen verwerven, ook nog een deel van de schaarser wordende algemene middelen toe te wijzen, waardoor de lage pensioenen ontoereikend laag worden houden.

Maar wetende dat in het deze strevers-, prestatie- en bezitsvermeerderingsmaatschappij, het 'veel verdienen' en/of veel bezitten, automatisch als gevolg wordt gezien van het zogenaamd "hard en lang werken", en men daarom ook meent recht te hebben op een (zelfs groter) deel van sociale voorzieningen zoals pensioenen, maken dergelijke deeloplossingen van de problematiek uiteraard geen kans bij de grote meerderheid van de bevolking, die alle voordeel heeft bij het behoud van het huidige stelsel.

Al zijn wij dan doof en blind, wij zijn en blijven daardoor, voorlopig toch, 'welvarend'. Et, après nous: les mouches...

31/10/09

Permalink 10:59:35, van Renaat VAN POELVOORDE E-Mail , 1508 woorden, 422 bezichtigingen   Dutch (BE)
Categorie: Buitenland, Binnenland, Politiek, maatschappij, politiek, maatschappij

Democratie contra gelijkwaardigheid

null
Gelijk en gelijkwaardig

Van nature uit zijn mensen niet gelijk aan mekaar. Zelfs met de best mogelijk opleiding zijn en blijven zij zowel psychisch als fysisch in min of meerdere mate ongelijk in hun mogelijkheden.

Als gevolg daarvan geldt zelfs in onze huidige moderne democratische maatschappij de macht van de ‘sterkste’. Daardoor heeft de verstandigere, rijkere, aantrekkelijkere, en/of charismatischere het, vooral materieel, beter en gemakkelijker dan zijn minder begaafde, minder gegoede, en minder uitstralende medemens

Onze maatschappij kent, al naargelang hun kennis en capaciteiten, grote verschillende financiële en maatschappelijke waarden toe aan functies en prestaties van personen, .

Daardoor beschouwen en behandelen wij elkaar als ongelijkwaardig en wordt een standenmaatschappij gecreëerd welke gebaseerd is op status, afgeleid volgens functie, inkomen en bezit. In dat opzicht is er dus nog niets veranderd en leven wij nog steeds in een standenmaanschappij.

Met allerlei ‘sociale’ maatregelen worden de negatieve gevolgen van de maatschappelijke ongelijkwaardige behandeling verzacht, of voor zover mogelijk geneutraliseerd. Daardoor bestrijdt men weliswaar de pijn, maar wordt het bestaansrecht van de ongelijkwaardigheid bestendigd.

Gelijkwaardigheid nastreven behelst het verwerpen en bestrijden van de maatschappijvorm welke gestoeld is op de verschillen in bepaling van menselijke waarde. Het aanvaarden van deze maatschappijvorm houdt dus per definitie in, dat men de ‘ongelijkheid in waarde’, dus de ongelijkwaardigheid accepteert .

Rechtvaardigheid en gelijke kansen

Sinds de sociaal democratie het fundamentele socialisme afzwoer, dat de effectieve gelijkwaardigheid nastreefde via een maatschappijvorm waar alle grondstoffen, productiemiddelen en voortbrengselen gezamenlijk bezit zijn, werden begrippen als ‘rechtvaardigheid’ en ‘gelijke kansen’ steeds hoog in het vaandel gevoerd. Door het wegvallen van de ‘communistische dreiging’ uit het oosten, heeft het neo-socialisme zich nog uitsluitend toegelegd op verzachten en het aanvaardbaar maken van de kwalijke gevolgen van de strevers- kennis- bezit- en consumptiemaatschappij, voor de minder fortuinlijken en de zwakken .

Het begrip ‘rechtvaardigheid’ impliceert dat eenieder zijn deel krijgt, al naargelang hij bijdraagt om het te verdelen goed te bekomen. Het aanvaarden van het waarderingscoëfficiënten voor posities, functies en geleverde prestaties, maakt dat menigeen die rechtvaardigheid als onrechtvaardig ervaart.

Opdat er sprake zou zijn van ‘Gelijke kansen’ moeten er ook gelijke mogelijkheden worden geboden, of althans verschillende mogelijkheden waarvan de optelsom toch het zelfde mogelijkheidsresultaat geven. Vraag is, hoe je iemand met één been ‘gelijke kansen’ biedt om het in de 100 meter hardlopen op te nemen tegen een handicaploze sprinter. Met gelijke kansen bedoeld men natuurlijk alleen dat mensen met dezelfde capaciteiten ook dezelfde middelen krijgen. Nochtans laat men het voorkomen alsof men met een betere begeleiding en betere verzorging, de eenbenige sprinter dezelfde kansen worden geboden als de tweebenige., dus dat men ook mensen met minder verstandelijke mogelijkheden, dezelfde kansen kan bieden om het zelfde te bereiken als de verstandelijk meer begaafde. Men hoeft geen hooggeschoolde specialist ter zake te zijn om de absurditeit van dergelijke stelling in te zien.

Daarenboven kan de positieve discriminatie die in bvb het ‘’gelijke kansenonderwijs ‘ wordt toegepast, eerder als een onrechtvaardigheid worden beschouwd omdat het afbreuk doet aan het principe van verdeling en waardebepaling volgens lichamelijk en /of geestelijk vermogen.

De begrippen rechtvaardigheid en gelijke kansen zijn bijgevolg in tegenspraak met mekaar. Het gezamenlijk gebruik ervan, evenals het individueel verkeerd bedoeld gebruik, behoren bij de platte demagogie die zowel sociaal democraten als sociaalliberalen gebruiken om de massa te misleiden en zodoende een schuldgevoel tegenover de minderbedeelden te voorkomen.

Een rechtvaardige maatschappij.

De vraag is niet of wij een rechtvaardige maatschappij willen, dan wel of wij de begrippen rechtvaardigheid, vrijheid, en zelfontplooiing in hun huidige omschrijving blijven handhaven.

De vrijheid tot zelfontplooiing en de rechtvaardige inning van de daardoor bekomen vruchten zijn juist de oorzaak van de ongelijkwaardigheid waar deze standenmaatschappij haar bestaansrecht aan ontleent. Het kleine deel van opbrengst dat vermogenden afstaan om de minder bedeelden de nood te ontnemen om het hen te ontstelen, wordt hypocritisch uit als ‘sociale solidariteit’.

Rechtvaardigheid, in zijn traditionele omschrijving, is niet in overeenstemming te brengen, met de socialistische grondgedachte van gelijke verdeling van “het gemeenschappelijk erfgoed van het mensdom en zijn natuurlijke en economische voortbrengselen�.

Een socialistische samenleving is gestoeld op het recht van elkeen op een evenwaardig deel van het erfgoed en zijn voortbrengselen. In die zin is in een maatschappijvorm gestoeld op de ‘rechtvaardigheid’ van verdeling volgens vermogen en prestatie volgens waardebepalingen, onrechtvaardig.

Democratie en kapitalisme

In een democratie, waar de meerderheid van de bevolking, mede dank zij de voor velen onnodige sociale correcties, voldoende middelen en mogelijkheden heeft om met elkaar in competitie te treden en met wisselend succes een aanvaarbare levenstandaard te bereiken, is het vrijwel onmogelijk om een voldoende groot draagvlak te creëren om, via een gelijkwaardige verdeling, (dus een vermindering van het eigen vermogen, bezit en winst) tot een andere maatschappijvorm te komen.

In de West-Europese en Noord-Amerikanen democratieën krijgt het fundamenteel socialisme geen enkele kans o mdat alleen een kleine minderheid (15 tot max 20%) daar beter van zou worden, en een grote meerderheid hun levensstandaard aanmerkelijk zou zien verminderen.

Om die reden zijn de westerse socialistische partijen, na het wegvallen van de ‘communistische dreiging’, nog meer dan voorheen, zich alsmaar meer in het kapitalistische systeem gaan inbedden, en hebben voor zover nog aanwezig, het socialistisch ‘gelijkwaardigheidverhaal’ vervangen door een ‘gelijke kansendiscours’. Het onvermogen om daar ook effectief resultaat voor de ‘achteruitgestelden’ mee te behalen maakt de sociaaldemocratie steeds ongeloofwaardiger. De links-liberale stroming die in centrumrechtse kringen steeds meer aanhang verwerft, en nog in weinig verschilt van de sociaaldemocratie, dreigt deze laatste zo niet op te slokken, dan toch langzaam verder te transformeren. Het gevolg daarvan is een gestage afkalving bij het gefrustreerde deel van hun fundamenteel-ideologische achterban

De utopie van de gelijkwaardigheid.

De democratie staat, althans in het noordelijk halfrond van deze wereld, een maatschappijvorm waar men gelijkwaardigheid nastreeft, in de weg. Zolang een meerderheid van een bevolking bestaat uit rijken en bemiddelden, zal de achteromhinkende minderbedeelde minderheid afhankelijk zijn van de solidariteit die de meerderheid bereid is op te brengen. De hebzucht, eigen aan het mensdom, het door rechts populair gepromote individualisme en de vrijhei tot zelfontplooiing, zorgen ervoor dat de bereidheid tot solidariteit sterk afhangt van de mate waarin men daar zelf (onnodig) deel kan aan hebben.

Daardoor gaat een groot deel, van de middelen, bedoeld ter ondersteuning van de zwakkeren in deze maatschappij, ook naar diegenen die het in feiten niet nodig hebben, en blijven de effecten voor de werkelijke doelgroep ondermaats.

Zelfs in een kapitalistische maatschappij zou het theoretisch mogelijk moeten zijn om diegenen die niet of in onvoldoende mate “aan de wedstrijd� kunnen deelnemen, een maatschappelijk aanvaardbare levenstandaard te bieden, indien de middelen die daarvoor aan de gemeenschap worden afgedragen, alleen diegenen ten goede komen die het nodig hebben.

Met ons sociaal zekerheidsysteem wordt een groot deel van de middelen aangewend om ook rijken en bemiddelden, via lineaire betoelagingen zoals o.a. ziektekosten, kindergeld, schoolgeld, pensioenen e.d. onnodig ‘zakgeld’ toe te stoppen. In tijden dat de ‘onbetaalbaarheid’ van het systeem steeds meer en harder wordt uitgeschreeuwd, zou men dat ‘gelijkheidsbeginsel’ best eens in vraag moeten stellen.

Gelijkwaardigheid en de hiaten in de antidiscriminatiewetwetgeving

In onze grondwet is het principe vervat dat iedere burger gelijk is voor de wet. De grondwetgever bedoeld daar mee dat de wet voor iedere burger geldt. Sommigen menen dat te moeten interpreteren als zouden alle burgers in de wetten een gelijke, laat staan gelijkwaardige behandeling krijgen. In feiten dienen heel wat wetten juist om een bepaalde of beperkte groep van burgers bepaalde voorrechten te verlenen of verplichtingen op te leggen.

Een treffend voorbeeld van wetgeving die het aureool van gelijkwaardigheid wordt toegewezen, maar door zijn selectieve opsomming juist de ongelijkwaardigheid bevestigd is de antidiscriminatiewetgeving. De wetgeving verbiedt discriminatie op grond van afkomst, nationaliteit, ras, huidskleur, godsdienst e.d. maar spreekt met geen woord over de discriminatie op grond van o.a. kennis, verstandelijk vermogen, functie en status. Nogal logisch, indien dat wel het geval zou geweest zijn, zou zij de grondvesten van onze maatschappij aantasten.

Besluit

Democratie, vrijheid, zelfontplooiing en rechtvaardigheid zijn niet in overeenstemming te brengen met het streven naar een maatschappij waar iedereen, onafhankelijk van zijn weten en kunnen, een gelijkwaardige behandeling krijgt en op gelijkwaardige wijze aan het maatschappelijk leven kan deelnemen.

Democratie geeft de macht aan de meerderheid. De democratische’ inspraak’ van de minderheid is zuiver informatief en in feiten niets meer dan een ‘doekje voor het bloeden’. Alleen als de ‘zwakken’ de meerderheid vormen, en zij daarvan bewust gebruik willen maken, kan democratie positief zijn, maar in desgevallend krijgt democratie meestal geen kans .

De vrijheid om zichzelf te ontplooien, en de rechtvaardigheid om daar de vruchten van te plukken en zelf te beslissen wat men daar mee aanvangt, geven de meer ontwikkelde, beter gepositioneerde, en, over meer mogelijkheden en middelen beschikkende, macht en voorrechten. Daardoor ontstaat juist de ongelijkwaardigheid.

De wet van de jungle geldt in 2009 nog steeds. Duizenden jaren van beschaving hebben alleen de modaliteiten en de middelen aangepast waarmee zij wordt uitgevoerd.

17/10/09

Permalink 09:10:01, van Renaat VAN POELVOORDE E-Mail , 619 woorden, 413 bezichtigingen   Dutch (BE)
Categorie: Binnenland, Politiek, maatschappij

De multiculturele droom aan diggelen.

IN het begin van dit schooljaar stond allochtoon Vlaanderen op zijn kop omdat een tot voorheen heel tolerante Antwerpse concentratieschool alle hoofddeksels verbood en zodoende wou ingaan tegen de kledingsdictatuur uit conservatieve moslimhoek.

Opiniepagina’s en commentaren stonden bol van analyses en vooruitzichten dienaangaande. Menigeen waade zich zelfs aan filosofische afwegingen tussen godsdienstvrijheid en onderwijsvrijheid, en over hoe de hoofddoek slechts een symptoom is van onderliggende problemen, over de perverse effecten van een hoofddoekenverbod, en ga zo maar door.

Bij al die navelstaarderij durft men nog al eens te vergeten om verder dan zijn eigen of het volgende dorp, of zelfs land te kijken. Terwijl in Antwerpen Moslima’s betogen voor het onbeperkt recht op dragen van de hoofddoek, protesteren in Iran hun generatie- en geloofsgenoten, niet alleen tegen zowel de overheids- als sociale druk om in het openbaar gesluierd rond te lopen, maar tevens voor de Westerse idealen van de vrouwenemancipatie.

De contradictie tussen adolescente meisjes uit de fundamentalistische theocratie Iran, die tegen de hoofddoek betogen, en hun Antwerpse ‘cultuurgenoten’ die er voor betogen, is flagrant. Goed opgeleide en mondig Nederlands sprekende Moslima’s van de tweede en derde generatie in België, die een conservatief Islamitisch wereldbeeld verdedigen, terwijl hun rebellerende generatiegenoten in de Islamitische Republiek Iran zich daar tegen afzetten.

Volgens Sommigen wijst de mondigheid en assertiviteit van de huidige jonge allochtone generatie op integratie, maar juist de huidige situatie toont aan dat opleiding en taal weliswaar noodzakelijke maar lang niet voldoende zijn om voor een werkelijke integratie te zorgen.

De Antwerpse hoofddoekensaga gaat over de onvermijdelijkheid van keuzes in onze smeltkroes van culturen en godsdiensten. In dit geval over de keuze tussen de vrijheid van seculiere expressie en de vrijheid van religieuze expressie. Het verleden heeft uitgewezen dat het niet mogelijk is om alle verschillen in cultuur en religie te relativeren. We kunnen niet eeuwig verkavelen, vermijden en tolereren.

De demagogische realiteit geeft aan dat de multiculturele droom aan diggelen ligt en de tijd van ontwijken en gedogen definitief voorbij is. Wij hebben het probleem in feiten kapot gerelativeerd. Het falen van de integratie is een collectief falen en daar kan alleen met een grote collectieve inspanning iets aan veranderen. Op langere termijn zal de confrontatie uiteindelijk gevolgd worden door wederzijdse aanvaarding. Maar daartoe is de durf noodzakelijk om de termen van de aanvaarding ook zelf te bepalen.

Vooral in de steden kijkt de autochtone ‘man in de straat’ met lede ogen naar de steeds groeiende, en zich steeds meer manifesterende vreemde cultuur en zijn inherente godsdienst. Een andere cultuur, naast de zijne heeft hij schoorvoetend en met tegenzin kunnen aanvaarden. De eis tot dragen van de hoofddoek binnen openbare diensten en scholen wordt echter aangevoeld als het binnenbreken in zijn cultuur en daar een plaats opeisen, en daardoor voelt hij zich bedreigd.

De keuze moge duidelijk zijn: kiest men voor een maatschappij, bestaande uit naast elkaar levende culturen, of voor een maatschappij met een cultuur bestaande uit de elementen van de verschillende culturen, waardoor uiteindelijk een nieuwe cultuur ontstaat.

Op verschillende plaatsen in deze wereld leven, met wisselend succes, verschillende culturen samen, naast elkaar. In de weinige gevallen waar elementen uit verschillende culturen zijn ‘samengesmolten, was er pas na een lange en bloedige strijd sprake van een nieuwe cultuur en samenleving.


Het steeds opnieuw en feller oplaaiend ‘hoofddoekendebat’ staat in feiten symbool voor het failliet van een integratieproces dat ondertussen al twee tot drie generaties lang aansleept.

Hoe dan ook is het huidige ‘hoofddoekenconflict’ een goede zaak omdat het de noodzaak aantoont van een breedmaatschappelijke discussie. Een maatschappelijke discussie die niet alleen in Antwerpen, ook niet alleen in België, maar in heel West-Europa dient gevoerd te worden.

Renaat Van Poelvoorde

28/12/08

Permalink 08:33:49, van Renaat VAN POELVOORDE E-Mail , 947 woorden, 131 bezichtigingen   Dutch (BE)
Categorie: Buitenland, Binnenland, maatschappij, maatschappij

De sociale democratie: De armoede bestendigd door het ‘voor iedereen-pricipe’

Op het einde van de twintigste eeuw werd er een consensus bereikt tussen de kapitalistische vrijemarkt- en consumptiemaatschappij en de droombeelden van een socialistische samenleving. In het Europa van vandaag noemt bijna elke politieke stroming van enig formaat zichzelf democratische en sociaal. Zo ook in ons land waar behalve de weliswaar naar het centrum opgeschoven socialistische partijen en de traditionele centrumpartij, ook de liberale partijen zichzelf een min of meer ‘sociaal’ label hebben aangemeten. Het compromis tussen de ‘rijken’, de middenklasse en de ‘armen’ bestaat er in dat iedereen volgens eigen vermogen naar zoveel mogelijk welvaart mag streven, en dat de gemeenschappelijke baten dienen ten goede te komen aan iedereen. Een lovenswaardig, en op het eerste zicht aanvaardbaar en rechtvaardig principe: het “voor iedereen-principe�.

De invulling van begrippen zoals armoede, minder gegoed zijn, welstellend, en rijken, kan nogal verschillen al naar gelang het peil van de algemene levensstandaard binnen een maatschappij. Zo betekent armoede in bepaalde gebieden van Afrika, Azië en zelfs Zuid-Amerika, dat men moet leven met honger, ontbering, ziekte, en koude. Wie er voldoende middelen heeft om zich normaal te voeden, de eerstelijnsziekenzorg te betalen en zich nog net een verwarmde woning met de basissanitaire voorziening kan veroorloven, behoort in die contreien eerder tot de betergegoeden.

Wie zich in de West-Europese rijke gebieden zoals o.a. België tot een dergelijke levenswijze moet beperken, wordt als onbemiddeld beschouwd en onder de armoedegrens levend. In onze ‘beschaafde’ en sociaal bijgestuurde kapitalistische maatschappij gaat men 'arm' is als men niet mee aan de rijkgevulde tafel mag zitten, en geen of onvoldoende deel kan hebben aan wat het moderne sociale leven te bieden heeft.

Socialistische denkers uit het verleden zagen de oplossing van de eeuwenoude onrechtvaardigheid van mensen waarvan hun leven bepaald werd door afkomst, fysische of psychische mogelijkheden, in een min of meer gelijkmatige verdeling van de beschikbare goederen en middelen, alsook de communizering van de individuele voortbrengselen. Maar de egoïstische natuur van de mens is van die aard dat zelfs het meest sociaal ingesteld individu hoogstens bereid is om een deel af te staan van wat hij denkt ‘te veel’ te hebben. Pas in de loop van de twintigste eeuw toonden de erfgenamen van de adellijke en industriële baronnen zich, onder druk van de communistische dreiging uit het oosten, bereid tot een compromis. Dat vergelijk hield in dat iedereen naar draagkracht zou bijdragen tot de gemeenschapsnoden, en dat een deel ervan kon worden aangewend om de ellende van de ‘minderbedeelden’ te milderen. Maar in ruil voor zoveel toegeeflijkheid moest het ‘solidartiteitsprincipe’ niet alleen naar de ‘noodlijdenden’ gericht zijn, maar moest het voor iedereen gelden. Met andere woorden: de gemeenschapsmiddelen die naar de individuen terugvloeien moeten zo veel als mogelijk verdeeld worden volgens de mate waarop zij er zelf toe bijdroegen.

Zo zijn o.a. de mechanismen ontstaan als de procentuele koppeling van de lonen aan de stijging van de consumptieprijzen en de procentuele belastingsverminderingen en –aftrekken e.d. Het ‘iedereen-principe’: wat de ene krijgt moet de andere ook krijgen, maar dan wel in orde van grootheid, gelijkwaardig aan zijn financiële status en levensstandaard.

Dit ogenschijnlijk rechtvaardige principe heeft als gevolg dat de kloven tussen arm zijn, bemiddeld zijn, en rijk zijn, niet alleen blijven bestaan maar zelfs substantieel steeds groter worden. Door het verdelen van de beschikbare middelen, procentueel a rato van het inkomenspeil, krijgt men meer toegestopt, al naargelang men meer inkomen heeft. Daardoor stijgt het ‘armoedepeil’ (de invulling van het begrip armoede) in een trager tempo dan het algemene ‘levensstandaardpeil’

Een groot deel van de gemeenschappelijke beschikbare middelen, bedoeld om terug te vloeien naar individuen of organisaties die het op hun beurt naar individuen toespelen, wordt in regel onder iedereen verdeeld, dus ook onder diegenen die het niet nodig hebben, en voor wie het alleen maar een ‘aanvulling’ van hun bezit of rijkdom betekent. Daardoor blijft het deel voor de werkelijk noodlijdenden, steeds onvoldoende en slaagt men er hoogstens in hun verdere achteruitgang ten opzichte van de stijging van de levensstandaard te vertragen.

Het ‘voor iedereen-principe’ is dus de oorzaak van het feit dat anno 2008 in ons land, behorend tot de tien rijkste van de wereld, nog anderhalf miljoen mensen onder de armoedegrens leven. Tot zolang de rijken en de betergegoeden het gemeenschapsgeld blijven gebruiken om hun bereikte welstand te behouden of er beter van te worden, zal dat beschamende percentage onveranderlijk rond de 15% blijven schommelen.

Sinds meer dan een eeuw heeft de mens alle mooi klinkende en humane principes, zoals democratie, vrijheid, broederlijkheid, en volksverbondenheid, in zijn eigen persoonlijk voordeel (dat van de sterkste) trachten te gebruiken. Zo ook wordt het gelijkheidsbeginsel misbruikt om onder het mom van de solidariteit vooral welgestelde klasse te dienen. Daarom dat democratieën het beste werken als de meerderheid van de bevolking welstellend is en de minder gegoeden en noodlijdenden tot een onmachtige minderheid beperkt blijft. Maar dan wel een noodzakelijke minderheid welke op peil moet gehouden worden, omdat zij het zijn die het solidariteitsprincipe waaruit het iedereen-principe is afgeleid, noodzakelijk magen,. Dat de armoedestatus dus moet ‘gekoesterd’ worden hebben de moderne ‘sociale’ liberale economen goed begrepen.

Zoals de oplossing van het fileprobleem er alleen kan komen als er nog veel meer auto’s komen, en het milieuprobleem alleen doelmatig zal aangepakt worden als de vervuiling, luchtverontreiniging en opwarming van de aarde ons voortbestaan effectief bedreigt, zo zal de armoede alleen maar opgelost worden als die véél groter wordt en zij het voortbestaan van de huidige ‘welvaartmaatschappij’ bedreigt..

En laat het juist dat zijn dat de sociaaldemocraten willen voorkomen…als dàt niet sociaalvoelend is!

03/11/08

Permalink 14:38:09, van Renaat VAN POELVOORDE E-Mail , 721 woorden, 205 bezichtigingen   Dutch (BE)
Categorie: maatschappij, maatschappij

Karl Marx en Friedrich Engels terug actueel

Volgens Boudewijn Bouckaert en Geert François van de Cassandra Denktank is er helemaal niets mis met het kapitalisme. Voor hen betekent het debacle binnen de financiële wereld helemaal niet de roemloze ondergang van een economisch model. Karel Van Miert geeft de ‘irrationaliteit’ en ‘virtuele grootheidswaanzin’van de bankiers aan als oorzaken voor de huidige crisis, en Johan Vande Lanotte vindt dat men ze niet moet bestrijden met minder, maar met meer vrije markt, maar dat de overheid er door regulering en controle voor een correcte concurrentie moet zorgen. En daar is ook nog onze eigenste Eerste Minister Leterme, die niet het economisch systeem, maar de moraal, van deze die de touwtjes in handen hebben, in vraag stelt.

Een officieus vertrouwelijk rapport van de Europese Commissie van 12 februari 2007 geeft aan dat in verschillende Europese landen het aandeel van het loon in het totale inkomen steeds maar kleiner wordt, terwijl het totaal inkomen uit dividenden en winsten steeds groter wordt. Ingewijden zien de bankcrisis als een logisch gevolg van een voortdurende daling van inkomen uit arbeid tegenover een voortdurende aangroei aan kapitaal. Ons kapitalistisch systeem vereist een steeds stijgende productie- en winstgroei, bij middel van een steeds grotere productie tegen steeds lagere productiekost, dus voornamelijk lagere loonkost.

In 1867 schreef Karl Marx , dat de steeds verder dalende loonkost uiteindelijk ook de beperking van de consumptie tot gevolg heeft, waardoor het in conflict komt met met de neiging van de kapitalistische productiecapaciteit om voortdurend te groeien . Marx zag toen reeds in, dat een dergelijk conflictueus systeem, behalve overproductie, ook overaccumulatie (overmatige opeenhoping) van kapitaal ontstond.

Als remedie tegen de economische recessie, verlaagde de Amerikaanse Centrale Bank in 2001 de rente op hypotheekleningen. Daardoor konden, ook gezinnen, die door de steeds dalende koopkracht niet kredietwaardig waren, zich toen makkelijker een huis aanschaffen, en kreeg de bouwsector en aanbelanden een enorme boost . De Amerikaanse banken verpakten deze risicovolle hypotheekleningen in andere financiële activa die ze wereldwijd tegen hoge rentevoeten, ondermeer aan de Europese banken, doorverkochten. Dit loste schijnbaar ook het probleem van de overaccumulatie van kapitaal op. Tot de Amerikaanse gezinnen hun leningen niet meer konden terugbetalen, waardoor eerst Amerikaanse banken in faling gingen en deze vervolgens via de rommelhypotheken ook Europese banken meesleurden.

In ‘Het Kapitaal’ beschreef Karl Marx hoe uit de overaccumulatie van kapitaal, de financiële markten, hun hefboomfondsen, zeepbellen en speculatie ontstaan: “Een groot deel van het overtollige kapitaal wordt fictief, met een denkbeeldige waarde. Als kopieën die zelf kunnen verhandeld worden en dus als waarde-kapitaal kunnen circuleren, hebben ze een fictieve waarde: ze kunnen volledig onafhankelijk van de evolutie van de waarde van de werkelijke economie, stijgen of dalen. Winst en verlies als gevolg van de prijsschommelingen van deze titels zullen steeds meer het resultaat zijn van speculatie. Dit soort ingebeelde financiële rijkdom vormt niet alleen een belangrijk deel van het fortuin van privé-personen maar het vormt ook een aanzienlijk deel van het bankierskapitaal.�

Voor al de sociaal-democraten die de vrije markt blijven verdedigen en ze via morele begrippen zoals “groter ethisch bewustzijn� of de strijd tegen ‘hebzucht’, ‘irrationaliteit’ en ‘grootheidswaanzin’ willen corrigeren, had Friedrich Engels in 1887 reeds een nu weer actueel geworden boodschap: “Sommige mensen leiden ons van de economie naar de moraal, en niets lijkt natuurlijker. Wie de kapitalistische productiewijze voor onaantastbaar verklaart en toch haar onplezierige, maar noodzakelijke gevolgen wil afschaffen, kan niets anders doen dan moraliserende preken tot de kapitalisten houden, preken waar van de ontroerende uitwerking onder invloed van het privébelang, het winstbejag en zo nodig van de concurrentie, weer als sneeuw voor de zon verdwijnt.�

Hoe dan ook, voorlopig is de 'weg terug' nog geen optie. Welvaart is nog steeds belangrijker dan welzijn. De keuze tussen een menswaardig bestaan voor iedereen, en een maatschappij waar mensen naar waarde geschat worden a rato van hun bezit en hun fysische en fysieke mogelijkheden, lijkt sinds de val van het mislukte experiment met het alternatief, wereldwijd definitief gemaakt.

Desondanks blijft er hoop. De huidige crisis is wat ons economisch systeem betreft, een niet mis te verstaan signaal, zoals de smeltende ijskappen dat op milieugebied zijn. Voorlopig blijken die signalen nog onvoldoende. Het blijft hopen op nog meerdere, duidelijkere, sterkere signalen. In de hoop dat de weg terug dan nog enigszins begaanbaar is...

:: Volgende Pagina >>

Renaat Van Poelvoorde

| Volgende >

September 2010
Maa Din Woe Don Vrij Zat Zon
<< <     
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30      

Zoeken

XML Feeds

Wat is RSS

Wie is online?

  • Gast Gebruikers: 1

powered by
b2evolution